James Worthy

Dat schrijvertje. Lebowski, Nieuwe Revu, CJP, BLEND.
Begin 2011 in de winkels, vandaag in de goot.

Column voor mijn oude schoolkrant

Het schrijven van een boek is altijd mijn ultieme droom geweest. Al sinds mijn twaalfde fantaseer ik over mijn naam op een zwarte kaft. De onmiskenbare geur van honderden maagdelijke bladzijden. Kunst. Ongerept, groen, een woud van letters op zorgvuldig gekapte bomen. Zo om en nabij mijn veertiende levensjaar schreef ik mijn eerste boek, een infantiele bonk lettervermicelli in een hormonale snelkookpan. Het bewuste boekwerk ging over de leraressen op mijn school, veelal gekleed in absolute naaktheid. Oversekst gepiel van een puber met overijverige zwellichamen. Vooral de ietwat donkere fantasieën over mijn tekenlerares zal ik nooit meer vergeten. En met ietwat donker bedoel ik zwarter dan haar ranke vingers na een houtskooltekening. Met behulp van de kloppende belichaming van mijn puberale geilheid schetste ik haar, door de wol geverfde, kapelletje vol. Ik kon urenlang over ons schrijven, driftig seksend, in een rommelig lokaal vol puntenslijpsel, gebroken linialen en balletjes kneedgum.

Vandaag de dag schrijf ik nog steeds met alle plezier over seks, de bakermat van het leven. Vrouwelijke criticasters, van die hele zure, stappen soms op mij af met de mededeling dat zo’n wrak als ik niet zo veel geslachtsverkeer kan hebben. Uitspraken van dien aard doen mij vrij weinig, de waarheid is sowieso een triviaal iets in dit vakgebied. Feitelijkheid is een kleinigheidje. Daarnaast ben ik van mening dat seks altijd fictie is. Niet omdat het niet echt plaats zou kunnen vinden, maar seks is een droom. Een spirituele hallucinatie, een bovenmenselijke ervaring die weinig met de werkelijkheid van doen heeft. De werkelijkheid bestaat uit boodschappen doen, de huur betalen, in hondenpoep staan en chronische ontevredenheid. Seks is de onwerkelijke baarmoeder van ons geluk. Een verkoelende natte droom in de oneindige woestijn van het volwassen worden. Een luchtspiegeling die ontstaat door het temperatuurverschil tussen twee gloeiende lichamen. Neuken.

Mijn debuut zit vol seks, maar nooit zonder reden. Het is geen erotisch moppenboekje. Het is ongetwijfeld mijn meest volwassen werk ooit geworden, mede dankzij een behulpzame quote van de legendarische Roald Dahl. ‘Two jokes a page, and don’t stop for sunsets.’ Dat is schrijven in een notendop. Er is niets mis met humor, maar als je veel humor gebruikt kunnen bepaalde lezers verdwalen. Boeken steunen op een rode draad, niet op een rode clownsneus. Daarnaast is de zonsondergang nooit een eindpunt, schrijven doe je tot je flauwvalt. De laatste weken schrijf ik zo’n twintig uur per dag. De deadline is verplaatst naar 31 december, dus ik heb nog een maand om alles kloppende te krijgen. De personages, de settings, de gesprekken, de kapsels, de geuren, het is een onmenselijk proces. In wezen sta ik in mijn eentje op een filmset. Het is allemaal ook zo tegenstrijdig. Aan de ene kant wil ik dagen van twintig uur maken, maar aan de andere kant wil ik niet sterven voordat ik mijn werk af heb kunnen ronden. Wat is gezond, waar ligt de grens? Het is beangstigend. Soms bestel ik een pizza. Die eet ik dan op, maar zodra ik de lege doos zie schrik ik. Ik ga dood. Dus dan pers ik snel even veertig sinaasappels.

James Worthy van James Worthy verschijnt in maart.

Ik hou van je ik ook niet

bb


We liggen met de neuzen tegen elkaar aan in mijn onopgemaakte bed. De regen klettert tegen het dakraam. Spijkerhard, alsof de waterkoude druppels er alles aan doen om onze lichamen te bereiken. Haar nagels gaan door mijn borsthaar en ik schaats met behulp van mijn vingertoppen van gladde bil naar gladde bil. De waxinelichtjes doen hun werk, mijn slaapkamermuren golven. Buitengewoon romantisch, maar mijn arme kat mist inmiddels wel een aantal essentiële snorharen. Ze bijt zachtjes op mijn onderlip terwijl ik haar enter. Ik wil haar lichaam plunderen, alles meenemen en dan samen weer alles opbouwen. Dit is liefde, ik zie het in haar ogen na iedere stoot. Zij zorgt voor mij als ik oud, dik en lelijk ben en ik, ik zuig met alle liefde de kanker uit haar borsten als ze volgende week een knobbeltje voelt.

De onophoudelijke stem in mijn hoofd is het er niet mee eens. Ik zoek geen vrouw voor het leven, ik zoek tijdelijke tederheid. Mijn hartstochten zijn geen marathons, het zijn vluchtige sprintjes. Ik hou van haar, maar tot wanneer? Vrouwen zijn een canvas, ik spuit ze vol met intieme ontmoetingen en diepe gesprekken, maar na een tijdje is het doek gewoon vol. Begrijp me niet verkeerd, ik geloof in de eeuwige liefde, maar ik geloof simpelweg meer in de aanpak van wijlen Gainsbourg. Serge deed het in zijn tijd, over het algemeen genomen, alleen maar met adembenemende schepsels. Jane Birkin, Juliette Gréco, Brigitte Bardot, godverdomme, iedere man heeft recht op zo’n lijstje. Monogamie is een wonderschoon iets, blijf vooral veertig jaar samen, maar ik begin steeds meer te geloven in het feit dat er altijd wel een leukere vrouw rondloopt. Met wie je ook bent en wat je ook voelt, ergens in een rokerige kroeg zit de Brigitte Bardot van vijftig jaar geleden op je te wachten. Maar misschien ben ik ook wel gewoon een onnozele dromer en moet ik deze toenemende rusteloosheid negeren, want als ik naar de stem blijf luisteren zal geen één vrouw ooit volstaan. Dan blijf ik door tramruiten en brievenbussen turen, op zoek naar de volgende vergankelijke muze.

We hebben zojuist twee keer de liefde bedreven. Ze is volmaakt, ze is warmzalig. De zweetdruppels branden in mijn ogen, maar het vuur is nog lang niet gedoofd. Ik kruip tegen haar aan en stel voor dat we synchroon gaan masturberen. Puur als toetje, de kroon op het werk, als kwak op de vuurpijl. Ze stopt twee vingers in mijn mond en spuugt tegelijkertijd in mijn rechterhand, niet veel later liggen we bijna in elkaar. Onze wimpers spelen tikkertje en haar vingers spelen verstoppertje in de regen. Ik wacht, ik kom, nee ik wacht. ‘James, ik kom echt bijna, laten we samenkomen’, zegt ze zwoegend. ‘Tel maar af’, zeg ik vastberaden. 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1, ze kronkelt, ze komt haast kalligrafisch. Mijn oerkreet is teugelloos, ik plastificeer mijn onderbuik en probeer tegelijkertijd de kramp in mijn linkerkuit weg te wuiven. Dit is liefde, ik wil met haar vader gaan vissen ondanks dat die belachelijk saaie lul vast zonweringen & rolluiken verkoopt. Ach, wat die meneer ook doet, hij zal altijd in de schaduw van zijn stralende dochter staan. ‘Dat aftellen, doe je dat vaker?’, vraagt ze. ‘Aftellen kan ik al tien jaar. In de zomer van 2000 las ik ergens dat je minder kans op prostaatkanker hebt als je twee keer per week masturbeert. Ik ruk zo’n twintig keer per week en dat maakt mij naar alle waarschijnlijkheid onsterfelijk. Wil je met me trouwen?’

Nee, ik wil niet trouwen. Alleen zijn is mijn ding, dit is het leven van een schrijver. Drank, mentholsigaretten, losbandigheid, onzekerheid en zelfmedelijden. Ik heb al twee weken geen wc-papier in huis en mijn koelkast is leeg, pijn en leegte zijn mijn katalysatoren. Daarnaast zijn vrouwen net als humor. Maak een goede grap en er zullen vijftig mensen lachen, maak er nog één en het zijn er honderd, maar maak je daarna een slechte grap, tja, dan mopperen er opeens vierhonderd. Mensen wachten altijd op een fout, net als dat vrouwen altijd op die ene fout zullen blijven wachten. Nogmaals, ik hoef geen vrouw voor het leven. Geef mij iedere maand een andere schoonheid en ik ben tevreden. Iemand die ik mee kan nemen naar familiebijeenkomsten. ’O die James is nog steeds niet getrouwd, zijn arme moeder zit vast op kleinkinderen te wachten.’ Rot toch op tante Karnemelk-kut, ik bemin de mooiste vrouwen van Amsterdam en omstreken. Dat is mijn missie, ik ben op deze wereld gezet, à la Gainsbourg, om vrouwen te vertellen hoe ongeëvenaard geweldig ze wel niet voor heel eventjes zijn.

De radio staat zachtjes aan, Radio 1 is namelijk één van de onmisbare pilaren waar onze liefde op steunt. Het is half drie in de nacht en ik kan niet slapen. Overdag droom ik al genoeg en al mijn dagdromen gaan over onze nachten. Ik hou van deze vrouw, morgenochtend ga ik toiletpapier voor haar halen. De stem is het er niet mee eens, want ze is geen Brigitte Bardot. Ik kruip tegen haar aan en kus haar voorhoofd. Ze ligt vredig te slapen, ik sluit mijn ogen. De onophoudelijke stem begint af te tellen. 10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1, Brigitte ik kom nu naar je toe.